Visie JADOS op prikkels

Wat is een prikkel?

Volgens Wikipedia is een prikkel een “verandering in de uitwendige of inwendige omgeving waarop een levend wezen reageert”. Veranderingen in de uitwendige omgeving komen binnen via de zintuigen. Veranderingen in de inwendige omgeving kunnen fysiologische toestanden zijn: hartslag, het immuunsysteem, spijsvertering, honger en dorst, maar ook gedachten en emoties. ‘Definities’ zijn niet snel perfect. In deze definitie wordt ‘verandering’ centraal gesteld. Is een constante hartslag dan wel of geen prikkel? Of de zon die in je gezicht schijnt, is dat dan één prikkel of een constante (lange) prikkel? Bij dit onderwerp ligt ‘versimpeling’ op de loer en dan kan het lijken alsof we het allemaal over hetzelfde hebben terwijl dat niet zo is.


Autisme: Overprikkeling, onderprikkeling en gevoeligheid.

Als men het over autisme heeft, gaat het regelmatig over ‘overprikkeling’. Het idee is dat mensen met autisme prikkels anders verwerken dan mensen zonder autisme; dit wordt dan vaak gerelateerd aan een gebrekkige centrale coherentie, waardoor alle prikkels op zichzelf blijven staan en niet worden geïntegreerd. Een gerelateerd onderwerp dat in relatie tot autisme regelmatig wordt genoemd of voorkomt is ‘sensorische gevoeligheid’. Deze twee concepten zijn met elkaar verbonden, maar kennen wel een belangrijk verschil. Sensorische gevoeligheid heeft te maken met (een gebrekkige) rijping van het centrale zenuwstelsel en is daarmee een (biologische) eigenschap van iemand (alhoewel niet statisch: sensorische gevoeligheid kan verminderen door rijping van het centrale zenuwstelsel en dit rijpen kan gestimuleerd worden). Niet iedereen heeft dezelfde mate van sensorische gevoeligheid, wel kan iedereen ’overprikkeld’ raken; sensorische gevoeligheid kan verminderen door rijping (te stimuleren). Dat is een langdurig proces; ‘overprikkeling’ kan sneller verminderen, bijvoorbeeld door de situatie waarin de persoon zich bevindt te veranderen: dit kan vrij snel.


Sensorische gevoeligheid 

Bij autisme speelt sensorische gevoeligheid relatief vaak. Bijvoorbeeld in de vorm van gevoeligheid voor licht, geluid, aanraking, geur en smaak. Dit heeft doorgaans te maken met de (on)rijpheid van het centrale zenuwstelsel. Bij mensen met autisme kan sprake zijn van een langzamere rijping waardoor bepaalde ontwikkelingsmijlpalen later aan bod komen, of niet. Een bekend voorbeeld is Temple Grandin, wiens huid gevoelig is gebleven tot in de ouderdom. Hetgeen betekent dat nieuwe kleren akelig aanvoelen, strelen ook maar diepe druk voelt juist prettig. Hiervoor heeft Grandin dan ook een apparaat ontwikkeld; de diepe druk die het apparaat geeft (een prikkel) werkt voor haar stress verlagend. Het proces van rijping kan verder vertraagd worden wanneer iemand in zijn ontwikkeling geen ervaringen meer opdoet met een bepaald soort prikkel. Op het vlak van geluid rijpt het zenuwstelsel dusdanig dat men normaliter al op jonge leeftijd in staat is om voorgrond en achtergrondgeluiden automatisch te scheiden, te filteren maar vooral ook betekenis te geven. Wanneer dit (nog) niet uitgerijpt is kan iemand zich bijvoorbeeld in drukke omgevingen moeizamer concentreren op een gesprek. Door het minder goed filteren komen er veel (geluids)prikkels binnen, die eigenlijk niet allemaal binnen zouden moeten komen. Dit is zeer vermoeiend, vergelijk het met het luisteren naar iemand die spreekt in een taal die je niet beheerst; het is een belasting voor de persoon; een stressor.


Overprikkeling is stress

Mensen met autisme ervaren vaak langdurig en veel stress. Dit kan komen door de eerdergenoemde achterlopende rijping, maar ook door vertraagde of versnelde ontwikkeling, waardoor mensen de aansluiting niet vinden bij leeftijdsgenoten, niet begrepen worden en zelf de wereld niet begrijpen en/of door trauma/life-events. Wanneer we bij autisme spreken over ‘overprikkeling’, worden we gemakkelijk op een verkeerd of beperkt spoor gezet. Het werkt in de hand dat we denken dat het iets specifieks is van autisme, dat het gaat over ‘het aantal/een teveel aan prikkels’ en dat het gaat over ‘iets wat van buitenaf komt’; maar het gaat vooral ook om de aard van de prikkel. Daarom spreken we liever over ‘stress’. De specifieke kwaliteit van de prikkel is belangrijk om mee te nemen in het begrijpen van een situatie van overprikkeling of stress. Sommige prikkels roepen interne prikkels (gedachten) op, die uiteindelijk voor de stress/overprikkeling leiden. Het kan dan lijken alsof de stress/overprikkeling van buiten komt, maar de externe prikkel is in een dergelijke situatie alleen de aanleiding.

De afwezigheid van externe prikkels kan ook voor interne prikkels zorgen:

  • Alleen op je kamer, zonder geluid, met zacht licht, kan nog steeds tot ‘overprikkeling’ leiden, omdat je het liefst deel wilt nemen aan het sociale leven, maar het niet lukt omdat je geen vrienden hebt. En daar pieker je over, de hele avond, alleen, zonder het te kunnen of durven delen met een ander; totdat je in paniek bent.


Onderprikkeling

Wanneer iemand niet voldoende geprikkeld (uitgedaagd) wordt op belangrijke vlakken voor die persoon kan er onderprikkeling optreden, waarbij het kan lijken alsof de persoon wat versuft is geraakt. Als een cliënt op het mbo zit en dit met gemak haalt en hier geen enkele uitdaging uithaalt, kan het gebrek aan prikkeling uiteindelijk zorgen voor een teruglopende motivatie en bijvoorbeeld problemen met opstaan, afspraken nakomen en naar de opleiding gaan.

Onderprikkeling kan tevens te veel ruimte van de cognitieve capaciteit overlaten, waardoor iemand ruimte krijgt voor negatieve gedachten, die normaal onderdrukt worden. Als iemand dan iets ‘simpels’ moet doen zoals afwassen, krijgt iemand mogelijk te veel ruimte om na te denken. Sommige mensen doen daardoor makkelijker hun huishouden met bijvoorbeeld muziek op, zodat er meer prikkels binnenkomen en er minder ruimte overblijft.


Wat te doen bij sensorische gevoeligheid

Bij sensorische gevoeligheid kan er in de basis op twee manieren gehandeld worden:

  • Prikkels wegnemen door:
    • Afstanden te zoeken van de prikkels of te vermijden
    • Hulpmiddelen inzetten om prikkels te verminderen (zoals een koptelefoon of zonnebril). Hier zit overigens een ‘adder onder het gras’ die cliënten zelf ook benoemen. Een koptelefoon kan geen onderscheid maken tussen belangrijk en onbelangrijk geluid. Met een koptelefoon op kan iemand daardoor ook weer angstig worden, omdat potentieel gevaar niet opgemerkt kan worden.
  • De rijping stimuleren door op gepaste wijze en in een gepast tempo (‘zone van naaste ontwikkeling’, Vygotsky) de sensorische prikkels juist op te zoeken, zodat de hersenen hier weer van kunnen leren.

Omdat rijping zich erg slecht laat haasten kan een combinatie van beide wegen een uitkomst zijn, zodat er én ontwikkeling én een haalbare situatie is.

terug naar boven